about

Fragment of an essay by Hans Theys,
published in the book Drawings, Tornado Editions, Brussels 2012.

In Gustavsson’s drawings we seem to meet families or small groups of friends that have become petrified icons of a fleeting world. Clocks have stopped ticking, or endlessly gnaw at us with their noisy grinding of unrealised moments of intimacy.

Beautiful, asymmetrical compositions. Beautifully arrested drawings, with hesitating or sturdy, sometimes slowly disappearing lines, with clear shapes that suddenly become indistinct or messed up, with funny color patches, with teapots with juvenile spouts, with depictions of tiny hammers and thin faucets, with sockets connecting us to the outside world, with one-legged tables, miserable Christmas trees and dreamlike summer cottages, with strangely silent protagonists.

Very often these protagonists are smoking cigarettes. Smoke is a funny object to draw, especially where it’s supposed to disappear, but it’s also a signal of youthful rebellion, boredom and pleasure seeking, giving oneself an attitude or slowly killing oneself. Apart from this, one might imagine an artist creating the most fabulous forms with his or her cigarette smoke, seeing the most fantastic scenes in its vortexes and sways, evoking Arabian nights, thundering ghosts or spiritual encounters.

What prevails, however, is a feeling to be in the presence of a human being who went through stuff and reports about it, realising that a poetic evocation of failure can be a success. One feels a sense of relief. One smiles. Sometimes one laughs. If understatement can be hilarious, it sometimes does so in these drawings. We meet a dandy who elegantly stages awkwardness. We enter a world of sordid dreams, and are glad we escaped. We encounter art in its basic form: relating about experience, but doing so through the physical presence of an object. Because finally we have to admit that what really unsettles us are the drawings, and not the depicted scenes. Nothing is expressed here, as Moore coined it, we are just confronted with the strangest of artifacts, created by a man who escaped life and hovers over it like an all-seeing ghost.

Montagne de Miel, 12 September 2011

In Dutch.

In de tekeningen van Johan Gustavsson (1978) ontmoeten we gezinnen of groepjes vrienden die op ons overkomen als versteende restanten van een vlietende wereld. De klok staat stil of vermoeit ons met een zot draaiend raderwerk dat ons herinnert aan talloze momenten van gerateerde intimiteit.

Prachtige, asymmetrische composities. Prachtig stopgezette tekeningen, met zowel aarzelende, stroeve als elegante lijnen die soms zachtjes verdwijnen; met heldere vormen die soms wazig of verward worden; met grappige kleurvlakjes; met afbeeldingen van te kleine hamers en te dunne kranen; met stopcontacten die de tekening een houvast geven door een muur te definiëren; met tafels die op slechts één poot rusten; ellendige kerstbomen en droomachtige zomerhuisjes met vreemd zwijgende protagonisten.

Vaak roken deze protagonisten sigaretten. Roken nodigt uit tot een grappige tekening, vooral waar de rook moet verdwijnen, maar het is ook een beeld voor jeugdige rebellie, verveling, genotzucht, jezelf een houding geven of jezelf traag van kant maken. Los hiervan kunnen we ons ook een kunstenaar voorstellen die in het rookgekringel van zijn of haar sigaret Arabische nachten kan ontwaren en spirituele ontmoetingen kan ervaren.

Wat vooral overblijft van deze tekeningen, echter, is het gevoel in de aanwezigheid te vertoeven van een tekenaar die dingen heeft meegemaakt en erover bericht, bewust van het feit dat je op een geslaagde manier kan berichten over mislukkingen. We voelen een zekere opluchting. We glimlachen. Soms lachen we. Als een understatement hilarisch kan zijn, dan gebeurt dit in deze tekeningen. We ontmoeten een dandy die op een elegante manier het ongemak presenteert. We betreden een wereld van grauwe dromen, en we zijn blij dat we eraan ontsnapt zijn. We komen kunst tegen in haar meest elementaire vorm: het delen van een ervaring door middel van de fysieke aanwezigheid van een voorwerp. Want uiteindelijk moeten we toegeven dat wat ons eigenlijk van streek maakt de tekeningen zijn en niet de afgebeelde scenes. Niets wordt hier uitgedrukt, zoals Moore het stelt, we worden enkel geconfronteerd met vreemde artefacten, gemaakt door een man die er soms in slaagt aan het leven te ontsnappen en erboven te zweven als een alziende geest.

Montagne de Miel, 12 September 2011